Een stukje geschiedenis

Reeds in de vroege middeleeuwen was er zowel in Wilp als in Voorst een katholieke kerk. In Wilp werd door de heilige Lebuïnus een houten kerkje gebouwd, later vervangen door een stenen kerk. De kerk in Voorst werd gebouwd door de monniken van de abdij in Prüm. Maar bij de reformatie gingen beide kerken over naar de protestantse eredienst. De katholieke eredienst werd verboden. Wel werd een gedoogbeleid gehanteerd, waarbij katholieken – vaak tegen een flinke vergoeding – mochten kerken in schuren en kapellen die van buiten niet als kerk herkenbaar waren. De katholieke Hendrikus Wilhelmus van Wijnbergen die samen met zijn vrouw, Theodora Oliviera van Dorth tot Medler, rond 1800 Huize Bussloo bewoonde, was de katholieken goed gezind. Hij nodigde paters franciscanen uit om in zijn koetshuis met hem, zijn pachters en hun knechten de Eucharistie te vieren. Bovendien beloofde hij hen dat hij uit eigen middelen een kerk zou bouwen zodra zich daartoe de gelegenheid zou voordoen. Na zijn dood in 1816 loste zoon Johannes Wilhelmus Aloysius deze belofte in, zodat reeds in 1818 de Sint Martinuskerk verrees.

De kerk is gebouwd als een schuur, met eikenhouten palen en dragers, waarop het tongewelf rust. De palen werden rondom bekleed, zodat het ronde pilaren werden met een sierlijke bekroning. Overigens was de inrichting van de kerk heel sober. De bouw van de kerk werd voltooid in 1818 en feestelijk in gebruik genomen als een bijkerk van de statie Duistervoorde.

In 1846 werd Bussloo een onafhankelijke statie, gescheiden van Duistervoorde. Bij die gelegenheid schonk baron van Wijnbergen een orgel aan de kerk, dat gebouwd werd door orgelbouwer Naber uit Deventer. Ook besloot hij toen om de kerk met meubelen en toebehoren, de begraafplaats, de pastorie en de grond waarop deze staan, een en ander gelegen aan de Straatweg onder Voorst, te schenken aan de Rooms Katholieke Gemeente van Bussloo. Bij koninklijk besluit van 7 april 1847 kreeg het kerkbestuur toestemming om de schenking te aanvaarden. Op 5 mei 1847 deed de eerste pastoor, Albertus Heijendaal, zijn intrede. Bij het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853 werd Bussloo een zelfstandige parochie.

In 1856 schonk de moeder van pastoor Heijendaal een hoogaltaar met daarop de beeltenis van Sint Martinus, die zijn soldatenmantel deelt met een bedelaar, die later Jezus zelf blijkt te zijn. In 1936 werd dit altaar uit de kerk verwijderd en vervangen door een eenvoudig altaar met daarboven een kruis. Toen verdwenen ook de preekstoel en de kroonluchters uit de kerk. Het balustradeorgel werd achter tegen de muur geplaatst en het trompetregister werd eruit verwijderd. Het zangkoor moest boven bij het orgel een plaats hebben en daarom werd ook aan de koorzolder een stuk aangebouwd.

In 1978 werd in de kerk een altaar geplaatst, dat komt uit de kerk in Didam, die werd afgebroken. Toen bleek ook dat restauratie van de kerk dringend nodig was. Uiteindelijk vond deze plaats in 1988. De restauratie van het totale interieur werd begeleid door Jelle Otter, restaurateur bij paleis het Loo in Apeldoorn. Het orgel werd volledig gedemonteerd, gerestaureerd en teruggeplaatst op de oorspronkelijke plaats als balustradeorgel. Ook het altaar met daarop de afbeelding van Maria ten hemelopneming werd grondig gerestaureerd. Van de restanten van de oude, zeer fraai gebeeldhouwde communiebank werd door vrijwilligers een offertafel gemaakt. Maar na de restauratie ontbrak nog het trompetregister in het orgel. Dankzij een royale gift van de familie van Wijnbergen kon dit in 2001 door de firma Reijl uit Heerde worden ingebouwd en in november van dat jaar feestelijk in gebruik worden genomen.

Veel heeft kunnen gebeuren in de kerk dankzij de inzet van eerder het kerkbestuur, later het parochiebestuur en de parochieraad en de vele vrijwilligers. Dankzij hen is de Sint Martinuskerk als geheel een rijksmonument en ook het orgel is afzonderlijk een rijksmonument. Hopelijk mag dit alles nog lang behouden blijven voor het nageslacht: ad multos annos.